Natuurlijk gezond   Een gezonde geest in een gezond lichaam!
Nederlands 
  Home
Contact Nieuws Links Winkelwagen
Producten
  Boeken
 
Extra
  Over homeopathie, fytotherapie en allopathie

 

  Over homeopathie, fytotherapie en allopathie  
Help uw dier zichzelf te genezen
Ook dieren zijn wel eens ziek. Al zorgen we nog zo goed voor ze. Bij Puur Natuur vinden we dat we de dieren zoveel mogelijk moeten helpen om zelf weer gezond te worden. Daarom gaan we uit van de principes van de homeopathie. "Kies om zacht, snel, zeker en duurzaam te genezen in elk ziektegeval een artsenij die zelf eenzelfde ziekte zou opwekken als zij genezen moet". Zo formuleerde grondlegger Samuel Hahnemann, de basisregel van de homeopathie. Homeopathische geneesmiddelen stimuleren het natuurlijk vermogen tot zelfherstel. Dat geldt voor de mens, het geldt evenzeer voor de dieren.
Geschiedenis van de homeopathie
De Griekse geleerde Hippocrates, die leefde van 470 tot 377 voor Christus, wordt gezien als de grondlegger van de moderne geneeskunde. Hij hanteerde twee belangrijke stellingen:
1. De klachten van de zieke worden genezen door middelen met een tegengestelde werking. Deze gedachte vindt u terug in de moderne allopatische (reguliere) geneeswijze.
2. De ziektetoestand wordt genezen door middelen die op de ziekte gelijkende verschijnselen oproepen. Dit is het gelijkheidsbeginsel, dat het uitgangspunt van de homeopathie is.
Tientallen eeuwen later had de geleerde Paracelsus (1493-1541) dezelfde gedachte. Toen hij de giftige werking van arsenicum onderzocht, bleek dat hij ziekteverschijnselen die lijken op de symptomen van een arsenicumvergiftiging kon genezen met een kleine dosis arsenicum. Dit komt overeen met het gelijkheidsbeginsel van de homeopathie.
De Duitse arts Samuel Hahnemann leefde van 1755 tot 1843. Hij wordt gezien als de grondlegger van de homeopathie. Ook hij ontdekte het gelijkheidsbeginsel, met name door zijn werk in een gebied waar vaak malaria voorkwam. Kinabast, een voorloper van kinine, werd toen als geneesmiddel tegen malaria gebruikt. Toen de gezonde Hahnemann zelf pure kinabast begon te slikken als experiment, kreeg hij de ziekteverschijnselen die bij malaria horen. Dit versterkte zijn geloof in het gelijkheidsbeginsel: een stof die bepaalde ziekteverschijnselen veroorzaakt bij gezonde mensen, kan diezelfde ziekteverschijnselen bij een zieke genezen. Dit noemde hij de Similia-regel. Die luidt volledig: 'Similia Similibus Curentur', wat betekent 'het gelijke wordt met het gelijkende genezen'.
Hahnemann deed zeer veel experimenten op zichzelf en zijn studenten en ontdekte zo dat de middelen beter werkten door ze eerst te verdunnen en te schudden. In 1810 gaf hij een boek uit, het 'Organon der geneeskunst'. Dit was een uitgebreid instructieboek voor artsen en bevat de basisprincipes van de homeopathie. Hahnemann kreeg veel volgelingen, maar helaas had de briljante arts een moeilijk karakter. Hij had binnen een aantal jaren ruzie met alle medische faculteiten, professoren en hooggeplaatste personen in en buiten Duitsland. Pas in zijn laatste levensjaren kwamen het succes en de erkenning. Ook met zijn volgelingen kon hij niet altijd goed overweg. Misschien is dit een reden waarom de universitaire ontwikkeling van zijn theorieën destijds zo moeizaam ging. Kort daarna kwamen de exacte natuurwetenschappen sterk in opkomst en was er nog weinig ruimte voor homeopathie over. Toch is deze geneeswijze de afgelopen eeuwen verder ontwikkeld en die beweging zet nog steeds door.
Homeopathie en allopathie
Allopathie is de term die gebruikt wordt om de reguliere geneeskunde aan te duiden, zoals studenten die nu op de universiteit leren. De (dieren)arts geeft een middel dat de klacht van de zieke tegengaat of onderdrukt. Bij koorts geeft hij bijvoorbeeld een koortsremmend middel. De voordelen van allopathische geneesmiddelen zijn dat het middel meestal snel begint te werken en snel resultaat geeft. Voorbeelden daarvan zijn: pijnstillers, antibiotica of een operatie.
Toch zijn er ook nadelen aan deze middelen: de ziekteverschijnselen worden vaak onderdrukt waardoor het ziekteproces als het ware wordt verhuld. Wanneer er dan gestopt wordt met de geneesmiddelen kunnen de ziekteverschijnselen terugkeren. Ook komt het wel voor dat een verschijnsel onderdrukt wordt, maar dat er dan een ander ziekteverschijnsel ontstaat. De patiënt krijgt bijvoorbeeld eerst eczeem en na behandeling van het eczeem ontstaan astmatische klachten. Dat komt omdat de eczeem wel weg is, maar de veroorzaker van de ziekte nog steeds in het lichaam aanwezig is. Die zoekt dan een andere uitweg uit het lichaam.
Een ander nadeel van allopatische geneesmiddelen is dat sommige ervan ernstige bijwerkingen hebben.
Het grootste verschil tussen allopathie en homeopathie is, dat bij allopathie (de reguliere diergeneeskunde) vooral naar de ziekte wordt gekeken. Het orgaan (bijvoorbeeld de lever) of de cellen (bijvoorbeeld bij tumoren) die ziek zijn, staan centraal. Naar andere delen of eigenschappen van het zieke dier kijkt de arts niet. Voor de diagnose zoekt de dierenarts naar een afwijking in het lichaam die hij kan vaststellen. Door bijvoorbeeld bloedonderzoek te doen ontdekt de arts een zieke lever, die hij dan verder behandelt. De medicijnen zijn dan alleen bedoeld voor het bestrijden van de ziekte aan de lever, niet voor het gezond maken van het gehele dier.
De homeopathie gaat ervan uit dat alle symptomen van het zieke dier samenhang hebben. Dus een huidontsteking heeft ook te maken met andere eigenschappen van de zieke, het gehele dier is belangrijk. Lichaam en geest horen bij elkaar en worden samen behandeld. Dus behalve naar de zieke lever kijkt de homeopaat ook naar andere klachten of eigenschappen van het dier en hiermee houdt hij rekening tijdens de behandeling. Het gehele dier staat centraal in plaats van alleen het zieke deel.
Een zeer belangrijke term in de homeopathie is het begrip 'levenskracht'. Met levenskracht wordt bedoeld: het zelfherstellend vermogen van het lichaam. Denk aan het vermogen van het lichaam om bijvoorbeeld een wondje zelf weer te genezen. Deze levenskracht houdt het gezonde dier in evenwicht. Bij een ziek dier zijn het evenwicht en de levenskracht verstoord. De ziekteverschijnselen zijn een uiting van de verstoorde levenskracht.
Doel van de homeopathie is deze levenskracht te stimuleren zodat het lichaam wordt aangezet tot zelfgenezing.
Homeopathie en fytotherapie
Tegenwoordig neemt de belangstelling voor alternatieve geneeswijzen sterk toe, voor zowel de genezing van mensen als dieren. Voor deze tendens zijn verschillende redenen te geven. Zo kan de moderne diergeneeskunde niet alle klachten genezen, of de bijwerkingen van het medicijn blijken te ernstig te zijn. Homeopathische diergeneesmiddelen kunnen dan een goede aanvulling zijn. De begrippen homeopathie en fytotherapie worden vaak door elkaar gehaald. Een korte uitleg maakt het verschil tussen beide geneeswijzen duidelijk.
Het Similia-principe
Het passende homeopathische geneesmiddel wordt gekozen volgens het Similia-principe. Dit principe stelt dat een middel, dat bij gezonde mensen bepaalde ziekteverschijnselen oproept, zieke mensen met diezelfde verschijnselen kan genezen. Om uit te zoeken welke ziekteverschijnselen een bepaalde stof bij gezonde mensen veroorzaakt, zijn er veel geneesmiddelproeven gedaan. Bij een geneesmiddelproef wordt de onverdunde stof aan een gezond persoon gegeven. Daarna schrijft de onderzoeker precies alle veranderingen op die de proefpersoon toont of voelt. Dit doet hij heel uitgebreid, niet alleen de lichamelijke kenmerken, maar ook de psychische toestand en veranderde eet- en drinkgewoonten. Ook houdt de onderzoeker bij of klachten op een bepaald tijdstip van de dag veranderen. Na een aantal van die proeven bij verschillende personen is er een duidelijk beeld van de werking van de stof op een gezond lichaam. Op deze manier zijn er van heel veel middelen geneesmiddelbeelden beschreven.
Vanuit de homeopathische gedachte kan het gelijke het gelijkende genezen. Wanneer een zieke dus de verschijnselen vertoont die een gezond persoon bij de geneesmiddelproef heeft, is het middel van die proef het passende geneesmiddel. Bijvoorbeeld: de kenmerken van de stof Belladonna zijn onder andere dat de testpersoon een hoge koorts krijgt, waarbij hij gaat zweten en ijlen, grote pupillen heeft en geen dorst krijgt. Wanneer een zieke deze verschijnselen heeft, is Belladonna het passende middel. Het homeopathische middel bestaat uit een extract van een stof die in planten, dieren of mineralen voorkomt, die zeer sterk wordt verdund. Geneesmiddelproeven zijn vooral met mensen gedaan. Voor dieren wordt het menselijke geneesmiddelenbeeld naar het dier 'vertaald'.
Fytotherapie is een behandeling met plantaardige middelen en wordt ook wel kruidengeneeskunde genoemd. Vanaf het begin der tijden gebruiken mensen al geneeskrachtige planten, vooral in de Middeleeuwen waren deze populair. Tegenwoordig groeit de belangstelling voor geneeskrachtige planten en hun gebruik weer. Een kruid kan bijvoorbeeld worden gebruikt als thee, als tinctuur of er wordt een omslag voor een zere plek van gemaakt. De stoffen uit deze kruiden zijn niet verdund en zijn meestal bedoeld voor een bepaalde klacht, bijvoorbeeld eucalyptus om makkelijker te kunnen ademhalen bij verkoudheid of kamillethee als rustgevend middel.
Homeopathische geneesmiddelen kunnen van plantaardige grondstoffen gemaakt zijn, maar ook van mineralen, dierlijke producten of chemische stoffen. Bij homeopathie wordt het uitgangsmateriaal altijd gepotentieerd (verdund en geschud). Bovendien kijkt een homeopaat naar het totaalbeeld van de zieke.
Potentiëren
Tachtig procent van de homeopathische geneesmiddelen wordt van plantaardige stoffen gemaakt, zoals Arnica montana (valkruid) of Calendula officinalis (goudsbloem). Verder worden ook dierlijke stoffen gebruikt, zoals Apis mellifica (honingbij) en mineralen, zoals Sulfur (zwavel).
De oorspronkelijke stof die gezonde mensen innemen bij de geneesmiddelproef is de basis voor het homeopathische geneesmiddel. Deze stof wordt verhakseld en moet dan gemiddeld twee weken 'trekken' (macereren) in alcohol. Dan ontstaat na filtering een geconcentreerde vloeistof, die oertinctuur wordt genoemd. Op het flesje staat dit aangegeven met het teken Ø.
Deze oertinctuur wordt vervolgens in stappen verdund. In Nederland wordt meestal steeds één op tien verdund, dat wil zeggen dat er één deel oertinctuur van het middel met negen delen van een alcoholoplossing wordt verdund. Tijdens het verdunnen worden de flesjes krachtig geschud. Dit proces heet potentiëren.
Het stapsgewijs verdunnen en schudden is heel belangrijk, omdat het geneesmiddel dan beter werkt. Het geneesmiddel werkt dan ongeveer als een vaccinatie; door slechts een heel kleine hoeveelheid van een ziekteverwekkende stof in het lichaam in te brengen, gaat het lichaam afweerstoffen aanmaken tegen deze ziekte. Zo'n verdunning van een oertinctuur wordt een potentie genoemd. Deze staat op de verpakking van het geneesmiddel genoemd, bijvoorbeeld 'D6' of 'D30'. Naarmate de homeopathische stof meer gepotentieerd wordt, heeft deze een sterkere werking en wordt het getal achter de 'D' hoger. Daarom zullen zelfmedicatiemiddelen ook geen hoge verdunning hebben, omdat deze een te sterke invloed op het lichaam kunnen uitoefenen. 
De werkwijze van een homeopathisch dierenarts
De homeopathie onderscheidt twee werkwijzen: de klassieke behandelingsmethode, en zelfmedicatie of de 'klinische' methode.
Bij klassieke homeopathie wordt uitgebreid naar het zieke dier gekeken. De dierenarts probeert een duidelijk beeld van het dier te krijgen en een patiëntdiagnose te stellen. Op deze manier kan hij een geneesmiddelbeeld vinden dat daar precies op lijkt. Hierbij is veel informatie van de eigenaar nodig. Niet alleen de klacht is van belang, maar ook tijden waarop de klacht verergert, algemene verschijnselen, psychische problemen (bijvoorbeeld angst) en het tijdstip waarop de klachten zijn begonnen. Verder wordt er nog gevraagd naar opvallende verschijnselen en de geschiedenis van het dier en zijn familie. Alle klachten kunnen belangrijke aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld dat het dier niet meer wil eten, dat het steeds aan de linkerkant van het lichaam pijn heeft of dat het net verhuisd is naar een andere stal.
Aan de hand van al deze gegevens bepaalt de dierenarts het juiste middel. Vaak wordt hiervoor een 'repertorium' gebruikt; dit is een boek waarin alle ziekteverschijnselen met de bijbehorende middelen staan. Ook zijn er nu computerprogramma's waarin alle middelen staan. Die kunnen verschijnselen van het zieke dier met geneesmiddelbeelden combineren.
Stel dat er twee dieren zijn met dezelfde soort kwaal (b.v. stijfheid), dan kan de homeopaat dus toch twee verschillende middelen voorschrijven, bijvoorbeeld omdat hij merkte dat bij het ene geval de stijfheid verminderde door warmte en bij het andere geval door beweging. Ook zijn er middelen die goed bij een bepaald type dier passen. De bouw van het lichaam, het karakter en de klachten passen dan bij een bepaald middel: dat is dan een geneesmiddeltype. Geeft de arts een middel dat bij het type past (bijvoorbeeld Nux vomica voor een Nux vomica-type dier) dan verbetert de gehele gesteldheid van het dier.
Ook de keuze van potentie is belangrijk. Over het algemeen kiest de homeopaat lage potenties, zoals een D6, voor klachten die net ontstaan zijn. Hoge potenties, bijvoorbeeld D200, worden gebruikt voor klachten die al zeer lang bestaan.
Het is bij dieren niet altijd mogelijk om het geneesmiddeltype precies vast te stellen, want ook de eigenaar weet niet alle vragen te beantwoorden. Dit kan een reden zijn om meer 'klinische' homeopathie toe te passen. Er worden dan middelen in een lage potentie gebruikt, waarvan in de praktijk gebleken is dat ze goed helpen bij bepaalde klachten en bepaalde typen dieren. Een uitgebreide repertorisatie (het zoeken in een repertorium naar het geschikte middel voor deze ene patiënt) is dan minder nodig.
Het gebruik van homeopathische geneesmiddelen
Homeopathische geneesmiddelen worden voor een groot deel in het lichaam opgenomen via het schone mondslijmvlies. Daarom is het beter om ze niet tegelijk met het eten te geven. Het beste is om het middel minstens een half uur voor of na het eten te geven, bijvoorbeeld op een klein stukje brood of met wat water. De druppels smaken naar alcohol en omdat de dieren dat vies vinden, kunt u die niet puur geven. Tabletjes of korrels kunt u eventueel wel direct geven. Probeer de tabletjes zo min mogelijk aan te raken en doe dat in ieder geval met schone handen. De dosering van de middelen staat op de bijsluiter, of de dierenarts vertelt u deze. U kunt homeopathische middelen het best koel en donker bewaren.
Het dier kan op verschillende manieren op de behandeling met homeopathische geneesmiddelen reageren:
1. Het dier knapt direct op. U kunt stoppen met het toedienen van de geneesmiddelen als de klachten geheel zijn verdwenen.
2. Het dier wordt zieker en de klachten verergeren. U moet stoppen met het middel en contact opnemen met een (homeopathisch) dierenarts. Het kan zijn dat uw dier erg gevoelig reageert op het geneesmiddel; de dosering moet dan worden aangepast door de arts.
3. De toestand van het dier verandert niet. Dit kan zijn omdat het geneesmiddel niet het juiste is, of omdat een homeopathische behandeling alleen onvoldoende is.
Als uw dier drachtig is, kan het de meeste homeopathische middelen toch gebruiken. Er staat er een waarschuwing in de bijsluiter als u het middel niet bij dracht mag toedienen. Indien uw dier allopatische geneesmiddelen krijgt en u wilt het ook homeopathische geneesmiddelen geven, dan mag u nooit zomaar stoppen met de oude medicijnen. Overleg altijd met uw dierenarts. Wanneer dezelfde klachten regelmatig terugkomen kunt u ook beter contact opnemen met een dierenarts.